Creativiteit is de motor van de mondiale wereldeconomie. Elke stad doet z’n uiterste best om zoveel mogelijk creatievelingen te verleiden binnen haar stadsgrenzen te komen wonen en werken. En tja... creativiteit, wie kan daar nou tegen zijn? Maar zoals altijd blijkt dat als bestuurders ergens enthousiast over geraken, waakzaamheid is geboden.

 

door Freek Kallenberg gepubliceerd in Gonzo (okt 2004)

 

“Amsterdam wordt een creatieve stad,” riep burgemeester Cohen begin dit jaar in zijn nieuwjaarstoespraak. Ook in de onlangs gepresenteerde notitie ‘Ruimte voor talent’, waarin het Amsterdamse gemeentebestuur haar visie op de toekomst van de stad weergeeft, draait het om creativiteit: ‘Creativiteit en innovatie worden de grondstoffen van de 21ste eeuw’. Eindelijk lijkt die wijsheid ook tot de Stopera doorgedrongen (net zoals tot de vorige Vlaamse regering overigens, die onder leiding van de liberale minister van economie Patricia Ceysens Vlaanderen uitriep tot een District of Creativity). Nog niet zo lang geleden investeerde het college van Burgemeester en Wethouders 128 miljoen euro in een nooit gebruikte containerterminal in de Amsterdamse haven. En tijdens de open dagen in diezelfde haven, nog geen drie maanden geleden, liet wethouder van Economische Zaken Van der Horst zich ontvallen dat ‘Amsterdam nu goede sier maakt met de creatievelingen, maar dat het economische belang van de haven ontelbare malen groter is’.

Of ze het in de Stopera nu willen of niet, al in 2000 wees Charles Laundry, in zijn spraakmakende boek ‘The Creative City; a Toolkit for Urban Innovators’, Amsterdam aan als een van de succesvolste steden, dankzij de aanwezigheid van een grote creatieve sector. Begin dit jaar werd dit herhaald door Richard Florida, wiens boek ‘The Rise of the Creative Class’ (2002) inmiddels op het nachtkastje van elke stadsbestuurder te vinden is.

 

Tolerant

In zijn lezing op het congres ‘Creativity and the City’, dat begin dit jaar in de Westergasfabriek in Amsterdam werd gehouden, hield Richard Florida de verzamelde ambtenaren en politici nogmaals voor dat Nederland, en met name Amsterdam, hoog scoort op zijn creativiteitsindex, die is samengesteld uit de drie T’s: Technologie, Talent en Tolerantie. Steden met een hoog indexcijfer hebben een leidende positie in de wereldeconomie. Daarin draait het immers niet meer om de productie van goederen en diensten – die is verplaatst naar de lage loonlanden - maar om innovatie en ideeën en dus om creativiteit.

Grote steden zijn bij uitstek locaties waar kennis, creativiteit en innovatie tot bloei komen. Het zijn de plaatsen waar kennis niet alleen gecumuleerd, maar ook gedeeld, gecombineerd en toegepast wordt door face-to-face ontmoetingen in een bijpassende omgeving. Grote steden vormen dé knooppunten in de internationale netwerksamenleving. Om als stad succesvol te zijn, moet je volgens Florida niet alleen zorgen voor goede technologische infrastructuren en opleidingsinstituten, maar moet je ook zoveel mogelijk talent aantrekken, zodat de bedrijven vanzelf zullen volgen. Steden moeten er dus voor zorgen dat ze een plek zijn waar ontwerpers, adviseurs, ICT’ers, programma- en filmmakers, journalisten, kunstenaars en reclamejongens graag willen leven. “De ‘verblijfskwaliteit’ van een stad wordt daarmee essentieel voor de economische groei,” zo meent Florida, ‘en die kwaliteit wordt in hoge mate bepaald door de diversiteit in een stad en haar mate van tolerantie’.

“Het hebben van broedplaatsen, seksclubs en coffeeshops is een enorm competitief voordeel,” aldus Florida. Niet omdat ze op zichzelf aanjagers zijn van economische groei, maar omdat ze iets zeggen over het tolerante klimaat en over de aard van de stedelijke cultuur, die open staat voor diversiteit en vreemdelingen. Het huidige restrictieve beleid ten aanzien van vreemdelingen is volgens Florida een enorme economische misser. “Nederland kan geen creatieve economie opbouwen op de schouders van de Nederlanders alleen. Je moet een manier bedenken om immigranten te verbinden aan de creatieve economie. Als je de grenzen dichtgooit, ondermijn je een van de grootste pluspunten: jullie openheid”, aldus Florida in een interview in ‘Agora’ (#1, 2004).

 

Informele scenes

Florida had, ondanks de hoge score van Amsterdam op de creativiteitsindex, nog meer aan te merken. Zo viel het culturele klimaat in Amsterdam hem wat tegen: “Veel van de kunst- en cultuurprogramma’s in Nederland zijn vooral voor ouden van dagen”. De traditionele cultuur van opera en ballet is geen leidende factor meer. “Je zou veel meer moeten investeren in de informele kunst, in de scenes op straat”, aldus Florida. In deze scenes ontstaan niet alleen vernieuwende ideeën, maar ze zorgen ook voor een creatief klimaat, dat weer nieuwe talenten aantrekt.

Maar juist die scenes van informele kunstenaars en creatievelingen keerden Amsterdam de laatste jaren massaal de rug toe en vertrokken naar Rotterdam, Eindhoven, Antwerpen of Berlijn. Niet alleen omdat de hippe Amsterdamse plekken de laatste jaren werden ingelijfd door de commercie – die verbindt zich immers graag met alles wat hip is – en nu bevolkt worden door het type advocaat met stropdas, maar vooral omdat, door de enorme stijging van de prijzen van grond en onroerend goed, werkruimtes en ateliers onbetaalbaar of gewoon niet meer te vinden zijn.

In feite betaalt Amsterdam nu de tol voor de economisch zo succesvolle jaren negentig, toen de stad uitgroeide tot een van de belangrijkste centra in de Nieuwe Economie. Van heinde en verre kwamen zowel whizzkids als kunstenaars, reclamejongens, ontwerpers én financiële specialisten naar dit mekka van de nieuwe media. Er was volop ruimte om te experimenteren en in de ruïneuze restruimtes van de oude economie bevond zich een bruisende culturele underground. In de verlaten pakhuizen en fabrieksgebouwen hadden muzikanten, theatermakers, kunstenaars en ambachtsmensen alle ruimte om te leven en hun creativiteit te botvieren. Hoewel veel van deze gekraakte vrijplaatsen in de jaren tachtig al ontruimd of gelegaliseerd waren, kon je ook in de jaren negentig in panden als de Silo, Vrieshuis Amerika, de ADM en het Entrepotdok nog wekelijks terecht voor feesten, optredens en experimentele theatervoorstellingen.

De economische boom van de jaren negentig en het inzicht van projectontwikkelaars dat deze ruïneuze restruimtes, dankzij het pionierswerk van de creatieve vrijplaatsbewoners, een enorme meerwaarde hadden gekregen, hebben ertoe geleid dat ook de laatste vrijplaatsen bijna allemaal moesten wijken voor nieuwe appartementen. En de eerdergenoemde advocaten met stropdassen wilden hiervoor maar al te graag een paar ton euro neerleggen, hierbij niet beseffend dat er op deze voorheen spannende en bruisende plekken nu nog weinig te beleven valt.

 

Broedplaatsen

Einde jaren negentig leek het Amsterdamse gemeentebestuur te beseffen dat, door het ontruimen van vrijplaatsen en door de stijgende grondprijzen, kunstenaars en startende creatieve ondernemers hun heil elders gingen zoeken. Sindsdien zijn er tientallen miljoenen euro’s besteed aan het aankopen van kraakpanden en het oprichten en behouden van ateliers voor kunstenaars en werkplaatsen voor ambachtslieden. Met dit ‘Broedplaatsenbeleid’ hoopt de stad de creatieve vlucht in te dammen. Om de waarde van de creatieve humuslaag voor de stad nog eens te benadrukken, werd dit voorjaar de ‘Amsterdamprijs voor de Kunsten 2003’ toegekend aan het kunstenaarscollectief W139, dat aan het einde van de jaren zeventig ontstond uit de kraakbeweging.

Ondanks al die aandacht en lovende woorden voor bewoners en gebruikers van vrijplaatsen en de informele scenes van kunstenaars en subculturen, denken stadsbestuurders toch dat ze vooral met prestigieuze kunstinstellingen, gebouwd door internationale sterarchitecten, en grootschalige cultuurmanifestaties een creatief klimaat kunnen scheppen. Hoewel de politieke en financiële stadselite dergelijke prestigeprojecten prachtig vindt, hebben lokale creatievelingen hier helemaal niets aan. Vaak geraken ze hierdoor net in de verdrukking: vele bruisende lokale kunstcentra en scholingsprojecten worden genegeerd of verliezen hun werkruimten en subsidies. Zo geraken jazzpodium het Bimhuis en het centrum voor nieuwe muziek de IJsbreker hun huidige ruimte kwijt, en dreigen ze het prestigieuze centrum voor nieuwe muziek aan de IJ- oever niet te kunnen betrekken omdat de huur niet op te brengen is. In ieder geval niet indien ze hun huidige programmering blijven handhaven.

McJobs

Het grootste probleem is natuurlijk dat de creatieve stad, in de ogen van de stadsbestuurders, in de eerste plaats een creatieve economie is. Cultuur, kunst, innovatie, kennis en de uitwisseling van ideeën worden gestimuleerd omdat ze geld opleveren, maar zijn geen doel op zich. Dat was en is in de inmiddels geroemde vrijplaatsen en ‘underground scenes’ juist wel het geval. De vrije uitwisseling van ideeën, maar ook van diensten en goederen, was en is vanzelfsprekend – het is eerder een creatieve samenleving of zelfs stad zónder economie.

Uiteraard is dat na twintig jaar neoliberale marktterreur nog voor weinig mensen te begrijpen. Toch zouden sociaal-democratisch geschoolde bestuurders, waarvan een stad als Amsterdam – maar ook andere grote steden – er velen telt, tenminste moeten begrijpen dat de creatieve stad – en eigenlijk elke stad – kan fungeren als emancipatiemachine voor de ‘lagere’ klassen. Vooral voor kansarme of ongeschoolde mensen is de stad een plek waar ze hun talenten kunnen ontplooien en initiatief kunnen nemen. Daarvoor moeten ze zich een stuk van de stad kunnen toe-eigenen: een huis, een winkel of een werkplaats. Dat is echter in veel westerse steden, en zeker in Amsterdam, niet meer mogelijk. De vrije ruimtes en rafelranden zijn verdwenen. Doordat alles in het teken staat van het economisch rendement wordt degene die nog niets is, maar bezig is iets te worden, helemaal uitgesloten.

Door de uitleg die nu aan de theorieën van Florida en Laundry wordt gegeven, dreigt dit proces alleen maar erger te worden. De arme laagopgeleide, vaak allochtone, bevolking lijkt hierin plaats te moeten maken voor de talentvolle, creatieve klasse die nu geen geschikte woonruimte kan vinden omdat de stad op slot zit. ‘Rijken erin, armen eruit’, zo kopte dagblad ‘Het Parool’, naar aanleiding van een uitgelekte eerste versie van de eerder genoemde stadsnotitie ‘Ruimte voor talent’. Hoewel het gemeentebestuur zich haastte te zeggen dat dit zeker niet haar bedoeling is, blijkt uit de notitie, die onlangs naar de gemeenteraad werd gestuurd, dat de laagopgeleide bevolking zich tevreden moet stellen met het additionele werk, waarvoor het witte hoogopgeleide deel van de bevolking haar neus ophaalt. De McJob’s waar je voor weinig geld vervelend gestandaardiseerd werk moet verrichten, zonder eigen inbreng en zónder creativiteit.

Richard Florida geeft toe dat zijn theorie geen antwoord geeft op de vraag hoe het moet met die 70 procent van de bevolking die niet deelneemt aan de zogenaamde creatieve economie. Maar dit maakt het in zijn ogen wel belachelijk om als stad je beleid te richten op het aantrekken van de creatieve klasse. “Wat je eigenlijk wil doen is de creatieve contributie van álle inwoners vergroten,” zegt Florida. “We hebben een creatieve economie, maar geen creatieve samenleving. Dàt is de politieke uitdaging. Niet het aantrekken van de geweldige moleculaire biologen of de populaire musici, maar iedereen laten meedoen en meegenieten.”

Geen ruimte voor talent van buitenaf dus, zoals het Amsterdamse stadsbestuur het wil, maar stimuleren, aanmoedigen en ontplooien van het talent van de eigen bevolking.

 

Joop van der Ende

Daarvoor is echter een heel ander soort beleid nodig dan het stadsbestuur voor ogen heeft. Een beleid dat aansluit bij de creativiteit van groepen aan de onderkant van de samenleving, die verschillende overlevingsstrategieën kennen, of de lokale organisaties die vechten tegen armoede en politieke en sociale uitsluiting. Hun creativiteit is misschien veel minder sexy dan die van de creatieve industrie, maar het ondersteunen van deze vormen van creativiteit levert wel een leefbare stad op.

Creativiteit laat zich immers moeilijk sturen en wordt gefrustreerd als ze geen gestalte kan krijgen via individuele vindingen of een veelheid aan subculturen. Goed en divers onderwijs voor iedereen is dus veel belangrijker dan enkele prestigieuze opleidingsinstituten, zoals ook Florida promoot. Evenzo is een chaotische hoeveelheid aan culturele uitingen en sociale bewegingen veel belangrijker voor een stad dan het creëren van ruimte voor de creatieve klasse.

Misschien dat het Amsterdamse stadsbestuur eens een blik kan werpen op het succesvolle beleid van de progressieve Greater London Council ten tijde van het neoliberale schrikbewind van Tatcher aan het eind van de jaren zeventig en begin van de jaren tachtig van de vorige eeuw.  Om de hoge werkloosheid onder vooral allochtone jongeren te lijf te gaan, werden ze niet gedwongen vervelende baantjes te nemen waar ze toch geen zin in hadden en die er ook vaak niet waren, maar werd gekeken naar waar ze zelf mee bezig waren. Dat was popmuziek en alles wat daar in cultureel opzicht mee van doen heeft, zoals bars, clubs, winkels, kleding, ontwerp en studio’s. Het gangbare cultuurbeleid had daar weinig oog voor en zou bovendien tekort schieten omdat deze subculturen door de markt gedragen werden en wars waren van het publieke op subsidies gebaseerde regulatiesysteem. In Londen en diverse andere Engelse steden zijn destijds alternatieve economische strategieën tot ontwikkeling gebracht vooral bedoeld om jonge culturele ondernemers binnen deze subculturen te ondersteunen. De Great London Council ondersteunde zo de vormgeving en instandhouding van een kleinschalige onafhankelijke culturele infrastructuur van muziekproducenten, radiostations, uitgevers, platenstudio’s en ontwerpers. Zo werd ook tegengas geboden aan de culturele ‘majors’ en werden de lokale voorwaarden in stand gehouden voor culturele diversiteit. Dit keer echter niet tegen, maar door de markt heen. Amsterdam maakt echter liever ruimte vrij voor een theater van Joop van der Ende, de parties van I,D&T en poppodia zoals de ‘Heineken Music Hall’ en ‘Pepsi Stage’, dan dat ze de vaak ‘etnische’ subculturen in de stad zelf ruimte geeft.

 

Bronnen:

Laundry, C. The Creative City: A Toolkit for Urban Innovators. Londen: Earthscan Publications, 2000.

Florida, Richard. The Rise of the Creative Class. New York: Perseus Books Group, 2002.

“Themanummer: Creatieve steden”, Agora, 1 (2004). Utrecht, KNAG.

Een ogenblik geduld... de informatie wordt binnengehaald.